Strafrechtzaken

Op deze pagina treft u achtergrondinformatie aan over verschillende onderwerpen die met het strafrecht te maken hebben. Zo kunt u lezen over de stadia van een strafzaak vanaf de aanhouding tot het einde van de zaak, u kunt hier informatie vinden over de betrokken ‘spelers’ bij een strafproces, de verschillende manieren waarop een strafzaak kan worden afgedaan en u kunt iets te weten komen over enkele bijzondere procedures. Daarnaast kunt u zien wat voor soort zaken wij behandelen onder het kopje ‘specialismen’.

Opiumwet

In de Opiumwet zijn de verdovende middelen opgenomen die als verboden worden beschouwd. Onderscheid wordt gemaakt tussen hard- en softdrugs.

Tot de categorie harddrugs behoren bijvoorbeeld heroïne, cocaïne, MDMA, GHB en speed. Deze staan opgenomen in de zogeheten lijst 1 van de Opiumwet. Hiervan vindt de overheid dat zij een groot gevaar voor de volksgezondheid vormen.

Marihuana en hash zijn softdrugs. Hiervan zijn de risico’s minder groot. Deze zijn tot een bepaalde hoeveelheid zelfs vrijelijk te verkrijgen in de coffeeshop, al tracht de overheid die vrijheid steeds verder te beperken door een het aantal vergunningen te beperken en maatregelen als de wietpas en het verplichte lidmaatschap. Softdrugs staan opgenomen in lijst 2 van de Opiumwet.

Het onderscheid komt ook terug in de hoogte van de straffen. Voor handelingen met harddrugs wordt u harder gestraft dan voor softdrugs.

De Opiumwet stelt (onder meer)de volgende handelingen strafbaar:

  • Het binnen of buiten Nederland brengen
  • Het bereiden, bewerken, verkopen, verstrekken of vervoeren
  • Aanwezig hebben
  • Vervaardigen

Het bezit van kleine hoeveelheden harddrugs wordt, hoewel wettelijk gezien verboden, doorgaans niet strafrechtelijk vervolgd, de zogenaamde kleine hoeveelheden voor eigen gebruik. Bij softdrugs gaat het om een hoeveelheid van maximaal 5 gram.

De hoogte van een op te leggen straf in geval van een veroordeling voor overtreding van de Opiumwet hangt van veel omstandigheden af. Zo kijkt een rechter altijd naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, naar eventuele eerdere veroordelingen, naar de omstandigheden waaronder het feit is begaan en naar de richtlijnen die rechters in het hele land hanteren bij het opleggen van een straf.

Een veelvoorkomend delict in Nederland is het kweken van softdrugs op zolder of in een garage, de zogeheten hennepkwekerij. Om ontdekking te voorkomen wordt vaak illegaal stroom afgetapt. En toch worden ieder jaar duizenden hennepkwekerijen opgerold, als gevolg van tips van buurtbewoners of warmtemetingen. De verdachte moet er rekening mee houden dat hij ook wordt vervolgd voor de diefstal van elektriciteit. Doorgaans zal daarnaast een rapportage worden opgemaakt met een berekening van de winsten die met hennepkwekerij zijn gemaakt. Het openbaar ministerie zal die winst door middel van een ontnemingsvordering van de verdachte proberen terug te krijgen. De advocaten van JSTW hebben ruime ervaring op dit gebied en zullen er alles aan doen uw schade tot een minimum te beperken. 

Fraude

Bij fraude denkt men al snel aan gesjoemel met papieren, maar de strafrechtelijke betekenis van fraude is veelomvattender dan dat. Er zijn vele verschillende vormen van fraude. De bekendste daarvan zijn waarschijnlijk oplichting en valsheid in geschrifte.

Oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

Van oplichting is sprake wanneer men iemand ertoe brengt om een bepaalde handeling te verrichten, bijvoorbeeld door het doen van een onjuiste mededeling, welke handeling zonder die onjuiste voorstelling van zaken achterwege zou zijn gebleven.  Het doel van de oplichter dient te zijn gericht op onrechtmatige bevoordeling.

Valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Strafrecht)

Van valsheid in geschrifte spreekt men wanneer iemand een schriftelijk stuk dat bedoeld is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst. Maar ook iemand die van dat valse of vervalste geschrift gebruik maakt alsof het echt of onvervalst was maakt zich schuldig aan valsheid in geschrifte.

Typische terreinen waarop veel fraude gepleegd wordt betreffen allerlei voorkomende belastingen, de sociale zekerheid en het economisch verkeer. Fraude is aantrekkelijk omdat daarmee forse (fiscale) voordelen kunnen worden behaald en de opsporing van fraude een lastige aangelegenheid is. Daarvoor zijn dan ook specifieke opsporingsdiensten in het leven geroepen zoals de FIOD, de SIOD of de AID.   

Voor fraudedelicten kunnen zware straffen worden opgelegd, variërend van (forse) geldboetes tot jarenlange gevangenisstraffen. De scheidslijn tussen schuldig en onschuldig is bij verdenking van fraude vaak dun. Om publiciteit en een onzekere gang naar de rechter te voorkomen is het doorgaans in een vroeg stadium nog mogelijk om een schikking (transactie) overeen te komen met het openbaar ministerie. Het is daarom zaak u zo spoedig mogelijk door een kundig raadsman te laten adviseren.

De advocaten van JSTW hebben ruime ervaring in fraudezaken en stellen alles in het werk om u of uw bedrijf een optimaal resultaat te bezorgen.

Geweld

Geweldszaken onderscheiden zich in geweld tegen personen en geweld tegen goederen. Geweld tegen personen bestaat in allerlei vormen, van eenvoudige mishandeling tot moord. Het is vaak lastig om vast te stellen tot welke categorie een gewelddadige handeling moet worden gerekend.

Mishandeling (artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

Van eenvoudige mishandeling is sprake wanneer iemand een ander opzettelijk letsel of pijn toebrengt. Vaak gaat het om een enkele klap of schop, maar zelfs het geven van een duw kan al voldoende zijn voor een veroordeling.

Zware mishandeling (artikel 302 Wetboek van Strafrecht)

Zware mishandeling betekent dat het slachtoffer van die mishandeling zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Om te kunnen worden veroordeeld voor zware mishandeling moet de verdachte het opzet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk of het risico op dat letsel op de koop toe hebben genomen. Van zwaar lichamelijk letsel spreekt men bijvoorbeeld  wanneer iemand een gedwongen medische behandeling heeft moeten ondergaan of tijdelijk niet heeft kunnen werken. Het is aan de rechter om te bepalen of letsel als ‘zwaar’ kan worden aangemerkt, die daarbij rekening zal houden met de wijze waarop het letsel is toegebracht. Uit rechtspraak blijkt bijvoorbeeld dat een gebroken neus of een afgebroken tand doorgaans niet als zwaar lichamelijk letsel zal worden aangemerkt.

Openlijke geweldpleging (artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

Van openlijk geweld is sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk geweld uitoefenen tegen personen of goederen. Het gaat hierbij om geweld dat in een publieke ruimte wordt gepleegd. Typische voorbeelden van openlijk geweld zijn vechtpartijen tussen voetbalsupporters of in het uitgaansleven. Het is belangrijk te weten dat iemand ook kan veroordeeld voor openlijk geweld zonder zelf daadwerkelijk geweld te hebben gepleegd. Andere mensen opjutten of het uitlokken van geweld kan onder omstandigheden ook voldoende zijn.

Huiselijk geweld

Tegenover het openlijk geweld staat het geweld dat binnen de huiselijke muren wordt gepleegd, meestal binnen de relatie. Regelmatig komt een aangever na het doen van aangifte tot inkeer, maar anders dan veel mensen denken is het intrekken van een aangifte niet mogelijk. Hoogstens kan in een aanvullende aangifte de eerdere verklaring worden aangepast of verbeterd. 

Doodslag  (artikel 287 Wetboek van Strafrecht)

Indien iemand een ander opzettelijk van het leven berooft spreken we van doodslag. Voor een veroordeling is noodzakelijk dat de verdachte opzettelijk de dood heeft veroorzaakt. Ontbreekt het aan opzet dan kan nog wel sprake zijn van dood door schuld.

Moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht)

Het verschil met doodslag is dat in geval van moord het slachtoffer met voorbedachte rade om het leven is gebracht. Dat betekent zo veel als dat sprake is van bewuste en doordachte keuze om een ander van het leven te beroven. Wanneer de verdachte handelt in een emotionele opwelling, dan kan met succes worden betoogd dat van moord geen sprake is.

Wordt u verdacht van het plegen van een geweldshandeling dan is het van belang dat u zo spoedig mogelijk een advocaat raadpleegt. JSTW heeft ruime ervaring in het verlenen van rechtsbijstand in alle soorten geweldszaken.

Zedenzaken

Zedendelicten bestaan in diverse varianten. Van verkrachting en aanranding tot kindermisbruik en het voorhanden hebben van kinderporno. De overeenkomst tussen de verschillende soorten zedendelicten is dat het gaat om maatschappelijk onaanvaardbaar seksueel gedrag. Bij verkrachting en kindermisbruik is dat evident. Maar bij sommige vormen aanranding of ontucht is moeilijker te bepalen waar de grens ligt tussen ongepast gedrag en gedrag dat strafrechtelijk verwijtbaar is. Het al dan niet stiekem maken van opnames, het betasten van andermans lichaam of het aanzetten van een ander tot het uittrekken van kleding zijn van die voorbeelden.

Bij zedendelicten gaat het vaak, en daarin onderscheiden zij zich van andere delicten, om een enkele aangifte van iemand die stelt slachtoffer te zijn geworden en ontbreekt ander bewijs. Soms klopt een aangifte, maar het gebeurt helaas ook regelmatig dat een aangifte wordt verzonnen als wraak voor een uit de hand gelopen ruzie of om iets gedaan te krijgen, bijvoorbeeld met betrekking tot de omgang met kinderen. Een (valselijke) beschuldiging is een bijzondere ingrijpende ervaring en het is dan ook van groot belang dat u zich in dat geval door kundig advocaat laat bijstaan.

De verhoren in een zedenzaak dienen te worden afgenomen door speciaal opgeleide rechercheurs en zijn onderworpen aan speciale regels. Het is taak van een advocaat u in een dergelijk verhoor met raad en daad terzijde te staan en toe te zien op de naleving van de spelregels.

Binnen JSTW Advocaten heeft vooral Rob Jan Pardijs ruime ervaring in het bijstaan van verdachten in zedenzaken.

TBS

De terbeschikkingstelling (TBS) is een maatregel die kan worden opgelegd aan verdachten die geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar waren ten tijde van het begaan van een strafbaar feit. Dit betekent dat het delict die verdachten niet of niet volledig kan worden aangerekend omdat sprake is van een geestelijke stoornis of ziekte die van invloed was op het begaan van het delict. Bovendien dient sprake te zijn van een reële kans op herhaling van een (soortgelijk) delict als gevolg van de stoornis. 

De rechter wint alvorens de TBS-maatregel op te leggen advies in van tenminste twee gedragskundigen. Dit onderzoek vindt vaak plaats in het Pieter Baan Centrum in Utrecht. Angst voor de doorgaans lange en onzekere duur van de TBS-maatregel heeft er toe geleid dat verdachten in toenemende mate zijn gaan weigeren om mee te werken aan dergelijk onderzoek. Een rechter kan desalniettemin dergelijk onderzoek gelasten en in een uiterst geval zelfs de TBS-maatregel opleggen ook zonder de medewerking van een verdachte aan een dergelijk onderzoek.

De duur van de TBS-maatregel is in beginsel 2 jaar, maar de rechter kan de maatregel telkens met 1 of 2 jaar verlengen, na een daaraan voorafgaande vordering door de officier van justitie. Deze is gebaseerd op een zogenaamd verlengingsadvies dat wordt uitgebracht door de kliniek waar de veroordeelde verblijft. Het belangrijkste onderdeel van een dergelijk advies betreft de beoordeling van de kans op herhaling van het plegen van een misdrijf. Wanneer die kans nog onvoldoende verminderd is zal de maatregel doorgaans worden verlengd. De beoordeling van de noodzaak va de verlenging van de TBS-maatregel vindt plaats door de rechtbank die de maatregel heeft opgelegd. Tegen de beslissing van de rechtbank kan de TBS-gestelde hoger beroep instellen bij het gerechtshof in Arnhem. 

De TBS-maatregel is gericht op de terugkeer van de veroordeelde in de samenleving. Deze terugkeer dient gefaseerd plaats te vinden aan de hand van een verloftraject, eerst begeleid en daarna onbegeleid met daarna mogelijk een periode waarin de TBS-gestelde zelfstandig, maar onder toezicht, in een kliniekwoning leeft.

De rechter dient, alvorens een TBS-maatregel tot een einde komt, te bepalen dat de maatregel voorwaardelijk wordt beëindigd, onder de door de rechter vast te stellen voorwaarden. Vaak gaat het dan om toezicht door de reclassering, de verplichting om ambulant nog contact met een psychische zorgverlener te onderhouden of het verplicht gebruik van medicijnen. 

Pim Scholte en Niels van Wersch hebben ruime ervaring in de begeleiding van TBS-gestelden in alle fasen van de behandeling. Niet alleen bij de verlengingsprocedures, maar ook bij de dagelijkse behandeling en de spanningen en moeilijkheden die daarin onvermijdelijk naar boven komen.

Jeugd

Jeugdstrafrecht

Ook minderjarigen kunnen rekenen op aandacht van politie en justitie. Steeds vaker wordt het strafrecht ingezet bij ernstige of minder ernstige wetsovertredingen door kinderen tussen de 12 en 18 jaar. Na inwerkingtreding van het adolescentenstrafrecht kan het minderjarigenstrafrecht eveneens toegepast worden op jongeren van 18 tot 23 jaar. Wanneer uw kind wordt verdacht van een strafbaar feit is het van cruciaal belang om in zo vroeg mogelijk stadium deskundige juridische ondersteuning te krijgen, waar mogelijk om te voorkomen dat de zaak via het strafrecht wordt afgedaan en uw kind een aantekening krijgt op zijn of haar justitiële documentatie (‘strafblad’). In dit kader onderhouden wij intensief contact met instanties uit het maatschappelijk veld zoals de Raad voor de Kinderbescherming, de William Schrikker Groep en Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA).

 

PIJ / GBM

Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) is een maatregel die kan worden opgelegd na het plegen van een delict waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, indien de algemene veiligheid van personen of goederen deze maatregel eist en indien deze in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Daarnaast geldt sinds 1 april 2014 dat een PIJ alleen maar kan worden opgelegd aan de verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Dit is dezelfde eis als bij de TBS. De PIJ-maatregel kan nu ook worden omgezet in een TBS. Deze nieuwe PIJ regeling geldt alleen voor feiten die na 1 april 2014 zijn gepleegd. De duur van de PIJ is in beginsel beperkt tot 3 jaar, waarna in bepaalde gevallen de PIJ verlengd kan worden tot maximaal 7 jaar. De Pij kan na afloop ook woden omgezet in een TBS maatregel. Ook wanneer sprake is van (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid kan een PIJ worden opgelegd. De gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) kan opgelegd worden bij ernstige misdrijven of vanwege “de veelvuldigheid”  van eerdere veroordelingen en indien deze in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Deze maatregel duurt minimaal 6 maanden en maximaal een jaar. De GBM kan eenmaal verlengd worden voor ten hoogste dezelfde tijd als waarvoor de maatregel was opgelegd.

Ondertoezichtstelling/uithuisplaatsing

Wanneer de ontwikkeling van een kind gevaar loopt kan de kinderrechter, doorgaans op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, bepalen dat een kind onder toezicht wordt gesteld. In sommige gevallen is het voor de ontwikkeling van een kind beter dat het niet langer in de thuissituatie verblijft en kan een kinderrechter beslissen dat een kind uit huis wordt geplaatst. Voor dergelijke procedures bij de kinderrechter is deskundige bijstand voor u en/of voor uw kind van groot belang

Marije Jeltes en Niels van Wersch zijn jeugdrechtspecialist.

Verdenking

Volgens artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is iemand een verdachte indien er sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan er een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestaat.

Dit betekent dat er wel ‘iets’ aan de hand moet zijn, wil u als verdachte aangemerkt kunnen worden. Dat ‘iets’ moet voldoende feitelijk en concreet zijn. Feiten en omstandigheden kunnen zijn: waarneming van strafbare gedragingen, verklaringen van getuigen of sporen bij misdrijven.

Staandehouding en aanhouding

Als u wordt verdacht van een strafbaar feit verandert er veel voor u. Vanaf dat moment mag de politie u staande houden en aanhouden. Staande houden houdt in dat u op straat door de politie het bevel krijgt te blijven staan en zich te legitimeren. Dit mag niet zomaar. Voor een staande houding moet er een verdenking zijn dat u iets verkeerd gedaan heeft.

De politie – of onder bepaalde omstandigheden ook burgers – mag u, als u verdachte bent, ook aanhouden, of ‘arresteren’ zoals dit ook wel wordt genoemd. Daarnaast krijgt de politie vanaf dat moment een aantal bevoegdheden die zij tegenover niet-verdachte burgers niet heeft.

In artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering staat: In geval van ontdekking op heterdaad is ieder bevoegd den verdachte aan te houden. In de meeste gevallen wordt de aanhouding verricht door de politie maar burgers kunnen dus ook, wanneer zij er getuige van zijn dat iemand de wet overtreedt, de verdachte aanhouden en overdragen aan de politie.

Vanaf het moment van aanhouding gelden voor de politie regels. Zo moet u na aanhouding naar het bureau worden gebracht. Na aankomst op het bureau moet u binnen 9 uur worden verhoord. Indien u verdacht wordt van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten is deze termijn maximaal zes uur. De tijd tussen 24.00 uur en 9.00 uur wordt niet meegerekend. Binnen die tijd (dus maximaal 9 + 9 = 18 uur) moet er door een (hulp)officier van justitie worden beslist of u langer moet blijven. Dit wordt inverzekeringstelling genoemd. Hierover later meer.

De politie heeft het recht u op het bureau te fouilleren (de ‘insluitingsfouillering’). Ook kunnen ze voorwerpen die van belang kunnen zijn voor het onderzoek in beslag nemen. Als u het niet eens bent met de inbeslagneming kunt u daarover uw beklag doen bij de rechtbank. Vraag ons zo snel mogelijk naar de mogelijkheden.

Bepaalde voorwerpen en kledingstukken kunnen u tijdelijk worden afgenomen in het belang van het onderzoek.
En u kunt, als u eenmaal in verzekering bent gesteld, gefotografeerd worden.
Meestal worden ook vingerafdrukken afgenomen.

Bent u verplicht om uw naam te geven?

U bent niet verplicht om uw naam te geven als u wordt aangehouden. De politie kan een verdachte wel voor verhoor meenemen naar het politiebureau zodat onderzoek gedaan kan worden naar de identiteit van de verdachte. U hoeft hier echter niet aan mee te werken.
Het onbekend blijven van de identiteit van een verdachte kan echter wel een reden zijn om deze langer vast te houden dan de zes uur voor verhoor. De verdachte wordt dan in verzekering gesteld omdat de politie tijd nodig heeft om de identiteit vast te stellen.

Rechten

Vanaf het moment van aanhouding heeft u als verdachte ook rechten. Zo heeft u

Het recht om voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat te raadplegen.

De politie zal u (moeten) vragen of u van dit recht gebruik wenst te maken of dat u afstand doet van dit recht.

Uw advocaat

Na uw aanhouding wordt een advocaat aangewezen die u kosteloos rechtsbijstand zal verlenen. Dit is een onafhankelijke advocaat die op dat moment dienst (ook wel “piket” genoemd) heeft. Vrijwel alle advocaten die zich hebben gespecialiseerd in het strafrecht hebben deze piketdienst eens in de paar maanden. De politie neemt contact met de piketcentrale op en die wijst een dienstdoende advocaat aan. U kunt ook zelf een advocaat kiezen. Dit moet u zo snel mogelijk melden aan de politie zodat zij dit kunnen doorgeven aan de piketcentrale.

Daarnaast heeft u:

Het recht om te zwijgen.

Dit moet de politie ook aan u mededelen voordat u wordt gehoord. U hoeft dus op geen enkele vraag van de politie antwoord te geven, ook niet op de vraag wie u bent (zie hiervoor). Op het moment dat u wordt gehoord weet u normaal gesproken niet welke informatie de politie heeft en waarom u als verdachte bent aangemerkt. Het afleggen van een verklaring is om die reden dan ook niet zonder risico. Het kan namelijk voorkomen dat uw goed bedoelde, soms zelfs ontkennende, verklaring tegen u gebruikt wordt. Ons advies is: zwijgen, tenzij. Alleen in uitzonderingsgevallen adviseren wij u een verklaring af te leggen. De stelregel is: verklaren kan altijd nog.

Maak dus altijd gebruik van deze rechten! Ook indien u denkt sneller vrij te zijn als u ervan afziet en als u dit ook zo wordt gezegd. Ook als u denkt dat er toch niets meer te winnen is. Ook als u denkt niets verkeerd te hebben gedaan. De advocaat, of dit nu uw eigen advocaat is of een piketadvocaat, zal u binnen twee uur na aanhouding kunnen bezoeken en met u de strategie bepalen.

Let op: Vaak wordt er een onderscheid gemaakt door de politie tussen een zogenaamd ‘sociaal verhoor’ en een ‘zaaksverhoor’. In het sociale verhoor, waarmee men begint, worden allerlei vragen over u als persoon gesteld. Laat u hierdoor niet verleiden! Ook in dit gedeelte worden vragen gesteld die voor uw zaak van wezenlijk belang (kunnen) zijn. De politie stelt ze niet voor niets. Ook voor dit gedeelte geldt dus: zwijgen, tenzij u een heel goede reden heeft om te verklaren.

Vanaf het moment dat u als verdachte bent gehoord heeft u ook recht op inzage in de processtukken, oftewel het dossier. De ervaring leert dat de politie het dossier niet gereed heeft en ook niet verstrekt voordat u wordt voorgeleid aan de rechter-commissaris. Dat is normaal gesproken het moment waarop u voor het eerst kunt zien waarop de verdenking tegen u is gebaseerd. Bent u aangehouden, maar niet in verzekering gesteld, dan zult u dus ook niet worden voorgeleid. In dat geval adviseren wij u om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een advocaat van ons kantoor die namens u het verzoek kan doen om inzage in de stukken te verkrijgen.

Worden bepaalde relevante stukken niet aan u verstrekt, vraag dan ons dan naar de mogelijkheden om hiertegen bezwaar in te dienen zodat belangrijke informatie niet bij u wordt weggehouden.

Beperkingen

Het kan voorkomen dat u na de aanhouding beperkingen worden opgelegd. Dit betekent dat u geen enkel contact met anderen dan uw advocaat mag hebben. Vaak komen daar nog andere maatregelen bij, zoals het verbod om kranten of tijdschriften te lezen, televisie te kijken en samen met andere gedetineerden te luchten. Gedurende de beperkingen is uw advocaat de enige met wie u contact mag hebben, waarbij de regel is dat deze niet met derden over uw zaak mag praten. De beperkingen kunnen slechts worden opgelegd indien de ernst van het feit en het onderzoek dit nodig maken. Denk hierbij aan de mogelijkheid dat de politie nog onderzoek doet en niet wenst dat de verdachte vanuit de cel bewijsmateriaal zou kunnen wegmaken of getuigen zou kunnen beïnvloeden. De beperkingen mogen niet eindeloos duren, maar een actieve opstelling van uw advocaat is nodig om de beperkingen zo snel mogelijk te doen opheffen. Wij dienen standaard bij eerste mededeling van beperkingen een bezwaarschrift in, zodat niet alleen de officier van justitie, maar ook een rechter in een vroeg stadium streng naar de noodzaak van de beperkingen kijkt.

Inverzekeringstelling

De (hulp)officier van justitie kan bepalen dat u langer van uw vrijheid beroofd moet blijven dan de toegestane negen uur voor verhoor. U wordt dan in verzekering gesteld. De verzekeringstelling kan maximaal drie dagen duren en is alleen toegestaan in het geval er nog onderzoek moet worden verricht. In uitzonderlijke gevallen kan de inverzekeringstelling met drie dagen worden verlengd. Voorafgaand aan de inverzekeringstelling moet u wel worden gehoord. Binnen drie dagen en achttien uur (uitgezonderd in het geval van verlenging van de inverzekeringstelling) moet u voor de rechter-commissaris zijn geleid. Die rechter toetst of uw aanhouding en inverzekeringstelling juridisch in orde, ‘rechtmatig’, zijn. U mag overigens alleen in verzekering worden gesteld indien het feit waarvan u wordt verdacht, zwaar genoeg is voor voorlopige hechtenis.

Voorlopige hechtenis

Dit is de periode dat u vast zit voorafgaand aan de behandeling van uw strafzaak. De voorlopige hechtenis begint bij de inverzekeringstelling, gaat vervolgens over in een periode van ‘bewaring’ (maximaal 14 dagen) en vervolgens in ‘gevangenhouding’, die maximaal drie maanden mag duren, maar kan worden verlengd op de ‘pro forma’-zittingen in het geval de verdenking en het feit ernstig genoeg zijn. Het bevel tot voorlopige hechtenis kan allen worden gegeven als wordt voldaan aan de vereisten van artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering.

Kort gezegd komt dit artikel erop neer dat het feit ernstig genoeg moet zijn of afzonderlijk benoemd, of u geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Altijd moet de verdenking zeer sterk zijn (ernstige bezwaren). Zonder ernstige bezwaren vindt geen voorlopige hechtenis plaats.

Heenzenden met dagvaarding

Het kan ook voorkomen dat de officier van justitie het niet nodig vindt dat u nog langer wordt vastgehouden. U wordt dan in vrijheid gesteld en niet voorgeleid aan de rechter-commissaris. Dit betekent niet (altijd) dat u overal vanaf bent. Er kan alsnog besloten worden u te vervolgen. Besluit de officier van justitie daartoe, dus om de zaak voor de rechter te laten komen, dan krijgt u een dagvaarding mee of ontvangt u deze thuis. Neem in dat geval direct contact met ons op.

Strafbeschikking

Het kan ook zo zijn dat u niet een dagvaarding, maar een strafbeschikking krijgt uitgereikt of toegestuurd. Het is in dat geval belangrijk direct contact met ons op te nemen: er geldt namelijk een beperkte periode (2 weken) om verzet, een soort hoger beroep, in te dienen. Doet u dat niet dan wordt de straf die in de strafbeschikking wordt genoemd onherroepelijk.  Nadat het verzet is ingediend, zal de zaak op zitting worden behandeld. Wij kunnen u dan ter zitting verdedigen. Wij adviseren om altijd verzet in te laten stellen omdat de straf die de officier van justitie u in de strafbeschikking oplegt in bijna alle gevallen hoger is dan de straf die de rechter zal opleggen. Dit kan gevolgen hebben voor uw documentatie en dus uw Verklaring Omtrent Gedrag (VOG).

Bewaring

Als de officier van justitie vindt dat u nog langer moet worden vastgehouden zal hij of zij de rechter-commissaris vragen om een ‘bevel tot bewaring’ af te geven. De rechter-commissaris zal u tijdens de voorgeleiding daarop horen in bijzijn van uw advocaat.

Bij de voorgeleiding bij de rechter-commissaris gebeuren er normaal gesproken twee dingen: Ten eerste toetst de rechter-commissaris of uw aanhouding en inverzekeringstelling rechtmatig zijn geweest. Is dat niet het geval, dan zult u moeten worden vrijgelaten, tenzij de rechter-commissaris besluit dat u desondanks moet blijven (de zgn. ‘rauwelijkse’ bewaring). Het tweede dat plaatsvindt bij deze voorgeleiding, is het oordeel van de rechter-commissaris over het verzoek (vordering) van de officier van justitie, om u langer vast te houden (in bewaring te stellen). Wijst de rechter-commissaris het verzoek van de officier van justitie toe dan geeft hij een bevel tot bewaring en wordt u overgebracht naar een huis van bewaring. Wijst hij dit af, dan wordt u vrijgelaten. Tegen deze beschikking staat voor de officier van justitie binnen 14 dagen hoger beroep bij de rechtbank open
.  Tegen de beslissing om u vast te houden, bestaat geen recht van hoger beroep.

Normaal gesproken vinden de toets en de vordering inbewaringstelling tijdens dezelfde zitting bij de rechter-commissaris plaats, maar soms niet. In dat geval wordt eerst (vaak op een vrijdag) getoetst of de aanhouding en inverzekeringstelling rechtmatig waren en komt later (meestal de maandag daarop) de vordering in bewaringstelling aan de orde. De bewaring duurt maximaal 14 dagen.

Gevangenhouding

Als de officier van justitie wil dat u langer dan 14 dagen blijft vastzitten, zult u voordat deze termijn voorbij is bij de raadkamer moeten komen, waarin drie rechters plaatsnemen. Zij oordelen over de ‘vordering gevangenhouding’ van de officier van justitie. De officier van justitie kan 30, 60 of 90 dagen vorderen en de rechtbank beslist of en zo ja, hoeveel dagen, u nog in voorlopige hechtenis zult blijven zitten of dat u in vrijheid wordt gesteld. U wordt opnieuw in de gelegenheid gesteld om uw mening te geven, net als uw advocaat. U kunt ook, voorafgaand aan de raadkamer gevangenhouding binnen de termijn van 14 dagen worden vrijgelaten, indien de zaak zich niet langer leent voor voorlopige hechtenis, bijvoorbeeld omdat uit onderzoek blijkt dat u onschuldig bent.

Schorsing van de voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis kan ook geschorst worden door de rechter-commissaris tijdens de voorgeleiding, maar ook door de raadkamer wanneer een vordering gevangenhouding wordt behandeld. Dit betekent dat het bevel tot (voortduring van) de voorlopige hechtenis wordt afgegeven, maar dat u (onder voorwaarden) in vrijheid wordt gesteld. Er wordt overgegaan op schorsing van de voorlopige hechtenis wanneer geoordeeld wordt dat uw persoonlijke omstandigheden bij een invrijheidstelling zwaarder wegen dan de strafvorderlijke belangen u langer vast te houden. Denk hierbij aan werk, school, het behoud van huis of uitkering e.d. De rechter kan aan een schorsing algemene en bijzondere voorwaarden verbinden, waarvan de belangrijkste is dat u geen strafbare feiten pleegt tijdens de schorsing. Ook andere voorwaarden komen vaak voor. U kunt dan denken aan verplicht contact met de reclassering, een contactverbod, een verplichting om naar school of weer aan het werk te gaan. Wanneer u zich niet aan de voorwaarden houdt, dan kan de officier van justitie bij de rechtbank het verzoek indienen u alsnog gevangen te nemen.

Het verzoek om schorsing vergt een actieve houding van de advocaat. Wij zorgen er altijd voor dat we bij uw partner, familie of vrienden de juiste stukken opvragen, zodat we die in kunnen brengen bij de behandeling van het verzoek. Tegen een afwijzing van een schorsingsverzoek door de raadkamer kunt u eenmaal hoger beroep instellen.

Opheffing van de voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis kan ook tussentijds worden opgeheven. Hiervan zal sprake zijn als de rechtbank vindt dat u bijvoorbeeld lang genoeg heeft gezeten of dat er tegen u onvoldoende bewijs is of het onderzoek niets meer heeft opgeleverd. Een verzoek tot opheffing kan door ons worden ingediend en wordt dan door de raadkamer van de rechtbank behandeld. Het verschil met schorsing is dat u in het geval van opheffing ook niet meer aan voorwaarden gebonden bent.

Hoger beroep

U kunt tegen een bevel tot gevangenhouding, de verlenging daarvan, of de beslissing van de rechtbank om het verzoek tot opheffing of schorsing van de gevangenhouding af te wijzen in hoger beroep gaan bij het gerechtshof. Hiervoor hebt u drie dagen de tijd. U heeft recht op eenmaal hoger beroep. Als u dus tegen het eerste bevel tot gevangenhouding hoger beroep hebt aangetekend, kunt u dat niet meer doen tegen een verlenging. Bent u tegen de eerste verlenging in hoger beroep gegaan, dan kunt u dat niet meer tegen een tweede verlenging doen. Wij kunnen u meer vertellen over deze procedure.

De reclassering


Wanneer u op het politiebureau verblijft, dan kan het voorkomen dat de reclassering met u komt praten. U kunt hierom ook zelf verzoeken. Dit verzoek kunt u direct doen bij de politie of in een later stadium, via uw advocaat. De reclassering adviseert de rechter in de fase van de voorlopige hechtenis, bijvoorbeeld over de mogelijkheden van een schorsing en in de fase van inhoudelijke behandeling van uw zaak over de afdoening van uw zaak.

De reclassering heeft tot taak om mensen te helpen die met het strafrecht in aanraking zijn gekomen, zodat zij weer een ‘regulier’ leven kunnen gaan leiden. Dit betekent dat de reclassering u kan helpen met werk, woonruimte en uitkering, of met verslavings- of andere problematiek. Daarnaast voert de reclassering ook het toezicht uit, indien de rechtbank dit oplegt, bijvoorbeeld als bijzondere voorwaarde bij schorsing. Daarmee wordt tegelijkertijd beoogd herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen. Overleg altijd eerst met ons over de vraag of het verstandig is om mee te werken met de reclassering.

Dagvaarden

Wanneer de officier van justitie uw zaak aan de rechter wil voorleggen zult u een dagvaarding krijgen om voor de rechter te verschijnen. De dagvaarding is het stuk waarin de officier van justitie een verdachte oproept om op een bepaalde dag voor de rechter te verschijnen. In de dagvaarding staat ook waar de officier de verdachte van beschuldigt. Een dagvaarding kan zowel tijdens de voorlopige hechtenis als daarbuiten worden uitgereikt of opgestuurd. Indien u een dagvaarding ontvangt is het zeer belangrijk om direct contact met ons op  te nemen.

Seponeren

De officier van justitie kan ook besluiten om uw zaak te seponeren. Hij ziet dan af van verdere vervolging. Uw zaak wordt dan dus niet aan de rechter voorgelegd. Een voorwaardelijk sepot is ook mogelijk. Dit betekent dat de zaak geen vervolg krijgt, tenzij u gedurende de proeftijd volgens de officier weer in de fout zou gaan. In dat geval wordt de zaak alsnog aan de rechter voorgelegd. De proeftijd duurt meestal een of twee jaar.

Er zijn verschillende redenen om niet te vervolgen. Bijvoorbeeld als de politie niet voldoende bewijs heeft kunnen verzamelen. In zo’n geval is sprake van een `technisch sepot’.
Daarnaast is er het zogenaamde `beleidssepot’. In zo’n geval is er in de ogen van de officier van justitie wel voldoende bewijs, maar besluit hij toch om iemand niet te vervolgen, bijvoorbeeld als er sprake is van een klein vergrijp en de dader de schade aan het slachtoffer heeft vergoed.

Let op: Wie het er niet mee eens is dat een zaak wordt geseponeerd, kan daartegen middels een klacht bij het hof een procedure aanspannen, de zogenaamde artikel-12 procedure, genoemd naar het artikel in het Wetboek van Strafvordering dat deze procedure regelt. Deze mogelijkheid geldt alleen voor rechtstreeks belanghebbenden bij de zaak. Als het hof deze klacht gegrond verklaart, moet het Openbaar Ministerie alsnog tot vervolging overgaan.

Gedagvaard, en dan?

Als de rechtbank tweemaal een bevel tot gevangenhouding heeft verlengd of ineens de gevangenhouding voor 90 dagen heeft bevolen en u heeft nog steeds geen dagvaarding ontvangen, dan zal de zaak op zitting moeten worden aangebracht om te worden beoordeeld door de rechter(s) die uiteindelijk over de zaak zullen beslissen. Het totale voorarrest kan dus uiterlijk 110 dagen duren: 6 dagen inverzekeringstelling, 14 dagen bewaring en 90 dagen gevangenhouding.

De eventuele rechtszitting moet dus binnen deze termijn aanvangen. In veel gevallen loopt het voorarrest, de voorlopige hechtenis, echter ook na deze 110 dagen door. Dit is vaak het geval bij de grotere zaken, waarbij de zaak nog niet klaar is om door de rechter definitief te worden afgedaan. Dit heeft dan te maken met onderzoek dat nog moet worden uitgevoerd. Te denken valt aan het horen van getuigen, het laten opstellen van deskundigenrapportages of het uit laten voeren van onderzoek in het buitenland. In dat geval komt de zaak wel voor, maar betreft de zitting een zogenaamde pro forma zitting. Er vindt op deze zitting nog geen inhoudelijke behandeling plaats, maar vaak wordt er besproken over (de voortgang van) het onderzoek dat nog plaatsvindt of nog moet plaatsvinden. Op de pro forma zitting kan uw advocaat weer om uw vrijlating verzoeken. De officier van justitie kan verlenging van de voorlopige hechtenis vorderen. Deze kan door de rechtbank op een pro forma zitting met 3 maanden worden verlengd, waarna de zaak weer voor moet komen, hetzij weer pro forma, hetzij wel definitief. Dit is afhankelijk van het onderzoek.

Rechtsbijstand (pro deo)

Indien u onvoldoende inkomsten heeft om het uurtarief van uw advocaat te betalen, dan kunt u worden bijgestaan op basis van een zogenaamde ‘toevoeging’. Dit wordt in de praktijk ook wel ‘pro deo’ genoemd. De raad voor rechtsbijstand is de instantie die de toevoegingen verstrekt en die uw advocaat zal betalen voor zijn bijstand. De toevoeging heet zo, omdat aan u een advocaat wordt toegevoegd. Dit betekent overigens niet dat u verplicht bent bij uw (piket-) advocaat te blijven in het geval u onverhoopt niet tevreden zou zijn. Een toevoeging kan worden overgeschreven. Indien aan u op basis van een toevoeging wordt bijgestaan, kan het zijn dat aan u een eigen bijdrage in rekening wordt gebracht. De hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld door de Raad voor Rechtsbijstand en dient u te betalen aan uw advocaat. Dit bedrag varieert tussen de 143,- en de 775,-, afhankelijk van uw inkomen. Indien u gedetineerd bent op het moment van het aanvragen van een toevoeging, betaalt u geen eigen bijdrage.

Onderzoek namens de verdediging

Een vervolging is in de eerste plaats gebaseerd op het onderzoek dart de politie onder leiding van het openbaar ministerie heeft uitgevoerd. Het is echter ook mogelijk om als verdachte bepaald onderzoek te laten verrichten. Zo kunt u de rechtbank verzoeken om getuigen of deskundigen te horen. Bij dergelijke verhoren kan uw advocaat aanwezig zijn en vragen stellen. Ook kunt u om een onderzoek vragen dat betrekking heeft op bijvoorbeeld DNA-onderzoek, psychologisch of psychiatrisch onderzoek of sporenonderzoek. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.

De zitting

Indien u wordt gedagvaard, zal uw zaak ter terechtzitting worden behandeld. Dat is in eerste aanleg bij de rechtbank en in hoger beroep bij het hof. De zitting is openbaar. Dat betekent dat iedereen elke strafzaak kan bijwonen, ook uw zaak. U zelf bent niet verplicht te verschijnen. Meestal is het echter beter om wel aanwezig te zijn op uw eigen zitting, maar soms ook niet. Overleg dit goed met uw advocaat.

Op de zitting zijn naast u als verdachte ook de rechtbank, de officier van justitie en – als u er deze heeft ingeschakeld – ook een advocaat aanwezig. Daarnaast kunnen ter terechtzitting getuigen en/of deskundigen of de reclassering worden gehoord en kan de benadeelde partij (het slachtoffer) het woord voeren, als daar sprake van is.

De rechtbank (of het hof) bestaat uit een griffier, die de aantekeningen (het proces-verbaal) van de zitting maakt, en de rechter(s). Bij een politierechterzitting of kinderrechterzitting is er één rechter en bij een meervoudige kamer zijn het er drie. Een politierechterzaak is over het algemeen kleiner en minder ingewikkeld dan een meervoudige kamer (MK-) zaak. Een politierechter kan maximaal 1 jaar gevangenisstraf opleggen en doet direct uitspraak. De meervoudige kamer doet doorgaans uitspraak na twee weken. De rechters bij het hof heten raadsheren, ook als het vrouwen zijn.

De officier van justitie is de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie die ter terechtzitting namens de staat de beschuldigingen zal uiteenzetten en zal verantwoorden. In hoger beroep wordt die taak vervuld door de advocaat-generaal (AG).

Ter zitting zijn alle rechters, de officier en uw advocaat allen gekleed in een toga. Dat is een zwarte jurk/mantel met een wit soort zakdoek voorgeknoopt, het befje. Dat is om te benadrukken dat deze personen niet als persoon handelen, maar allen uit hoofde van hun functie.

In de zittingszaal zit u vooraan, tegenover de rechtbank. Soms staat uw stoel in het midden, soms aan de zijkant. Uw advocaat zit (schuin) achter of naast u. Links tegenover u, voor de rechtbank dus aan de rechterzijde, zit de officier van justitie. Achterin de zaal is plaats voor publiek. Sommige zalen hebben een publieke tribune hoog en achter glas.

Volgorde ter terechtzitting

Om te beginnen zal de rechtbank uw personalia met u doornemen en u wijzen op uw recht om – ook op zitting – te zwijgen op vragen die u worden gesteld. Is dit gebeurd, dan zal de officier de zaak ‘voordragen’, oftewel vertellen waarvan u wordt beschuldigd.

De beschuldiging, oftewel de verdenking, wordt uiteengezet in de dagvaarding. De dagvaarding is het stuk waarmee u als verdachte bent opgeroepen. Daarin moet exact omschreven staan van welk strafbaar feit u wordt verdacht, opdat u zich daar goed tegen kunt verdedigen.

Na het voordragen van de zaak zal de rechtbank de inhoud van de zaak met u doornemen op basis van de tenlastelegging en het dossier. Daarbij worden de feiten met u doorgenomen en zal de rechtbank u vragen stellen. Of u de vragen zult beantwoorden moet u van tevoren goed met uw advocaat afspreken. Na het doornemen van de feiten waarvan u wordt verdacht zal de rechtbank uw persoonlijke omstandigheden met u doornemen. Daarbij komen dingen aan de orde als uw leefsituatie, uw inkomen, gezondheid en eventueel eerdere justitiecontacten.

Hierna zal de officier van justitie zeggen wat hij van de zaak vindt. Dit doet hij in het requisitoir. Om die reden heet dit rekwireren. In het requisitoir zegt de officier welke feiten wat hem betreft bewezen kunnen worden en wat hier wat hem betreft de reactie op moet zijn. Dat wordt de eis genoemd. Bijvoorbeeld een werkstraf of een gevangenisstraf. Een officier kan echter ook zelf al vrijspraak eisen, als hij vindt dat de zaak niet bewezen kan worden verklaard.

Na het requisitoir is het de beurt aan uw advocaat. Hij mag reageren op het requisitoir, op de eis en hij mag zijn eigen (juridische) stadpunten aan de rechtbank voorleggen. Dit heet het pleidooi.

Na het pleidooi kan de officier van justitie weer op de standpunten van de advocaat reageren en dan mag de advocaat nog eenmaal reageren. Hierna mag u als verdachte het laatste woord voeren. Heeft u dit gedaan, hetgeen niet verplicht is, dan is daarmee de zitting op zijn einde gekomen en zal de rechter het onderzoek ter terechtzitting sluiten. Is het een politierechterzaak, dan volgt direct de uitspraak (uitzonderingen daargelaten). Is het een meervoudige kamer zitting geweest, dan wordt meestal twee weken na de zitting uitspraak gedaan.

Hoger beroep

Indien u het met de uitspraak niet eens bent, dan kunt u tegen die uitspraak in hoger beroep gaan (in appel gaan). Ook de officier kan dit. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen twee weken na de uitspraak, dus houd daarover goed contact met uw advocaat. Na die termijn is hoger beroep niet meer mogelijk, tenzij u niet ter terechtzitting aanwezig was en de uitspraak u niet bekend kon zijn. Meent u dat dit het geval is, neemt u dan vooral contact met ons op.

In hoger beroep wordt de zaak opnieuw beoordeeld. Het is ook in hoger beroep mogelijk om bijvoorbeeld getuigen te horen of ander onderzoek te laten doen, maar ook dit soort verzoeken is aan termijnen gebonden. Ga hier zo spoedig als mogelijk over in overleg met uw advocaat.

Cassatie

De fase na het hoger beroep is die van cassatie. De Hoge Raad, de hoogste rechter in Nederland, behandelt de cassatiezaken. In cassatie wordt de zaak niet nogmaals over gedaan, maar wordt alleen gekeken naar de vraag of de eerdere rechters het recht juist hebben toegepast. Onderzoek (laten) doen is in deze fase niet meer mogelijk. Cassatie staat open voor de verdediging en voor het openbaar ministerie.

Indien de Hoge Raad vindt dat het hof niet juist heeft geoordeeld wordt de zaak ‘gecasseerd’ en moet het hof opnieuw over de zaak oordelen. In sommige gevallen kan de Hoge Raad de zaak echter ook zelf afdoen. Als de Hoge Raad van oordeel is dat de uitspraak van het hof niet in strijd met het recht was, zal het oordeel van het hof in stand blijven.

Cassatierecht is een specialistisch rechtsgebied. Vraag daarom altijd naar een cassatiespecialist. Bij ons op kantoor is dat Pim Scholte.

In hoger beroep wordt de zaak opnieuw beoordeeld. Het is ook in hoger beroep mogelijk om bijvoorbeeld getuigen te horen of ander onderzoek te laten doen, maar ook dit soort verzoeken is aan termijnen gebonden. Ga hier zo spoedig als mogelijk over in overleg met uw advocaat.

Het gratieverzoek

Als er geen hoger beroep of cassatie meer voor u open staat, is het vonnis definitief. U kunt dan alleen nog gratie aan de koning vragen. Gratie vragen heeft alleen zin als na de uitspraak van het definitieve vonnis nieuwe (persoonlijke) omstandigheden naar voren zijn gekomen, die de rechter nog niet kende. Deze omstandigheden moeten dan wel zó belangrijk zijn dat de rechter op grond daarvan misschien tot een andere beslissing zou zijn gekomen.

Wordt het gratieverzoek afgewezen, dan wordt de straf uitgevoerd. Verleent de Koning u gratie, dan wordt uw straf verminderd, kwijtgescholden of omgezet in een voorwaardelijke straf. Het veroordelende vonnis blijft in stand. Alleen in de opgelegde straf wordt verandering gebracht. Gratieverlening komt maar heel zelden voor en is bijvoorbeeld niet mogelijk bij een PIJ-maatregel.

Indien de Hoge Raad vindt dat het hof niet juist heeft geoordeeld wordt de zaak ‘gecasseerd’ en moet het hof opnieuw over de zaak oordelen. In sommige gevallen kan de Hoge Raad de zaak echter ook zelf afdoen. Als de Hoge Raad van oordeel is dat de uitspraak van het hof niet in strijd met het recht was, zal het oordeel van het hof in stand blijven.

Cassatierecht is een specialistisch rechtsgebied. Vraag daarom altijd naar een cassatiespecialist. Bij ons op kantoor is dat Pim Scholte.

In hoger beroep wordt de zaak opnieuw beoordeeld. Het is ook in hoger beroep mogelijk om bijvoorbeeld getuigen te horen of ander onderzoek te laten doen, maar ook dit soort verzoeken is aan termijnen gebonden. Ga hier zo spoedig als mogelijk over in overleg met uw advocaat.

Advocaat

De advocaat is er om de verdachte bij te staan in de ruimste zin van het woord, zolang er maar een verband bestaat met de strafzaak. Hij is subjectief en partijdig en kent dus maar één belang en dat is het belang van de verdachte. Hij moet samen met zijn cliënt de beste verdediging bepalen, maar mag alleen beslissingen nemen die hij kan verantwoorden binnen de criteria van zijn geweten en de Advocatenwet. Een advocaat wordt op zijn woord geloofd en mag niet liegen. Een verdachte overigens wel.

Een advocaat treedt namens zijn cliënt op in correspondentie met politie, justitie en de andere spelers binnen het strafproces en treedt op ter terechtzitting, tijdens verhoren en in onderhandelingen.

De advocaat kan betalend optreden of op basis van een toevoeging. Laat daarover geen onduidelijkheid bestaan en leg afspraken altijd schriftelijk vast.

In het geval er sprake is van een geschil of een vertrouwensbreuk met een cliënt, dan zal de deken van de orde van advocaten kunnen worden ingeschakeld teneinde te bemiddelen of een klacht in behandeling te nemen.

Iedereen is vrij in zijn advocaatkeuze. Een andere advocaat kiezen is dan ook altijd toegestaan.

Officier van justitie

De officier van justitie vertegenwoordigt het openbaar ministerie in het strafproces. Hij is verantwoordelijk voor de onderzoeken die de politie onder zijn leiding uitvoert, is verantwoordelijk voor de correspondentie in een zaak en voert het woord ter terechtzitting. De officier heeft bovendien verschillende bevoegdheden die diep kunnen ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer. Hij wordt geacht van die bevoegdheden op een

‘magistratelijke’ wijze gebruik te (doen) maken.

Parketsecretaris

De officier wordt ondersteund door een parketsecretaris, die  binnen een onderzoek vaak zeer veel werk voor zijn rekening neemt en een belangrijke rol speelt bij de voorbereidingen van zittingen.

Rechter-commissaris

De rechter-commissaris is de rechter bij wie een aangehouden verdachte het eerst terecht komt na de inverzekeringstelling. Hij oordeelt over de (vordering) inbewaringstelling en beslist daarmee over de eerste weken van de voorlopige hechtenis. Daarnaast is de rechter-commissaris ook onderzoeksrechter. In die hoedanigheid heeft hij bijvoorbeeld de leiding over, en beslist hij bij doorzoekingen, telefoontaps en andere opsporingsbevoegdheden. Bovendien heeft de rechter-commissaris de regie in het vooronderzoek waarbij de verdediging een rol speelt. Hij beslist bijvoorbeeld op verzoeken van de verdediging met betrekking tot het onderzoek in een strafzaak, oordeelt over processtukken en voert getuigenverhoren uit. Dit kan zelfstandig, op verzoek van de verdediging of in opdracht van de zittingsrechter.

Reclassering

De reclassering spant zich in voor de terugkeer in de samenleving van mensen die met het strafrecht in aanraking komen, de zogenoemde resocialisatie. Dat betekent dat de reclassering u kan helpen met werk, woonruimte en uitkering, of met verslavings- of andere problematiek. Daarnaast voert de reclassering ook het toezicht uit, indien de rechtbank dit oplegt, bijvoorbeeld als bijzondere voorwaarde bij schorsing. Ook treedt de reclassering op ter zitting om toelichting te geven bij een door hen opgesteld advies. Meestal wordt echter daartoe een rapport opgesteld dat aan de rechtbank en de verdediging wordt gestuurd. Een goed contact met de reclassering is goud waard.

Benadeelde partij

Sinds een aantal jaren is de rol van de benadeelde partij, het slachtoffer in het strafproces, steeds groter geworden. Deze partij kan in een strafzaak de schade claimen die hij heeft geleden als gevolg van het strafbare feit, mits er een veroordeling voor dat feit volgt. Denk aan een vergoeding voor schade aan een auto bij vernieling of verlies van geld bij een geplunderde bankrekening. De benadeelde partij dient hiertoe een vordering in bij de rechtbank en mag die ter terechtzitting toelichten. Dat betekent dus dat deze partij tijdens de zitting aanwezig kan zijn en het woord kan voeren..

Straffen

Als er geen hoger beroep of cassatie meer voor u open staat, is de veroordeling onherroepelijk, dat wil zeggen: definitief. Pas dan kan de straf worden uitgevoerd.

Vrijheidsstraf

Indien de rechter u een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt zult u deze moeten ondergaan in een gevangenis, ook wel penitentiaire inrichting genoemd. Als u vast zit op het moment van de uitspraak, wordt de straf in beginsel meteen ten uitvoer gelegd. Indien u nog vrij bent, zult u worden aangehouden of dient u zich te melden teneinde uw straf uit te zitten. Wij raden u aan om voor u dit doet, contact met een advocaat te zoeken om te onderzoeken of de straf inderdaad (direct) moet ingaan.

Voorwaardelijke invrijheidstelling

Als zich géén bijzondere omstandigheden voordoen, kunt u onder voorwaarden vervroegd in vrijheid worden gesteld.
Voorwaardelijke invrijheidstelling kan alleen bij straffen van meer dan een jaar. De algemene voorwaarde die daarbij geldt is dat u tijdens uw proeftijd niet opnieuw een delict mag plegen. Deze proeftijd gaat in op het moment van de invrijheidstelling. De proeftijd is gelijk aan het restant van de straf, maar duurt minstens één jaar.
Naast de algemene voorwaarde kan het openbaar ministerie bijzondere voorwaarden stellen, zoals een alcoholverbod of het volgen van een bepaalde training of behandeling. Het openbaar ministerie stelt ook voor de bijzondere voorwaarden een proeftijd vast. Deze proeftijd kan nooit langer duren dan het restant van de straf. Het minimum van één jaar geldt dus niet voor de bijzondere voorwaarden.

Indien u tijdens detentie problemen veroorzaakt in de gevangenis of een strafbaar feit pleegt,
komt u wellicht niet in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Dat geldt ook voor mensen die hebben geprobeerd te ontsnappen, of die niet willen meewerken aan programma’s om te voorkomen dat zij opnieuw een delict plegen.

Taakstraf

De taakstraf is naast de geldboete of een vrijheidsstraf één van de straffen die de rechter u kan opleggen. Een taakstraf betekent dat u zult moeten werken onder toezicht van de reclassering. Vaak is dit werk ten behoeve van de samenleving, zoals plantsoenen schoonmaken of afwassen in een verzorgingstehuis. Behalve als zelfstandige hoofdstraf kan een taakstraf worden gecombineerd met een geldboete en/of een korte vrijheidsstraf. Een taakstraf wordt over het algemeen niet opgelegd bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven of in bepaalde gevallen van recidive (het vaker veroordeeld of bekeurd zijn voor hetzelfde soort feiten). Indien u de taakstraf niet (volledig) verricht, moet u rekening houden met het uitzitten van een vervangende hechtenis.

Voorwaardelijke taakstraf

Ook een taakstraf kan (deels) voorwaardelijk worden opgelegd. Ook hier kunnen de hierboven genoemde voorwaarden gelden.

Voorwaardelijke vrijheidsstraf

Als de rechter een vrijheidsstraf van maximaal drie jaar oplegt kan daarvan een bepaald gedeelte voorwaardelijk worden opgelegd. Het gedeelte dat voorwaardelijk wordt opgelegd, kan nooit langer zijn dan één jaar. U hoeft dan dat gedeelte van de straf niet uit te zitten, tenzij u tijdens een proeftijd weer nieuwe strafbare feiten pleegt of zich niet aan andere voorwaarden houdt. Bij die voorwaarden kunt u denken aan het niet plegen van strafbare feiten, reclasseringscontact, het volgen van therapieën of trainingen en andere voorwaarden.

Naast straffen kan een strafrechter ook maatregelen opleggen. De meest voorkomende maatregelen worden hieronder kort besproken.

Ontneming/plukze

Naast gewone strafzaken bestaan er ook ontnemingszaken, oftewel zaken die zijn voortgekomen uit de zogenaamde ‘plukze’-wetgeving. Deze wordt zo genoemd omdat deze wetgeving –deze maatregel- erop gericht is om geld terug te vorderen dat met strafbare feiten is verdiend.

De officier van justitie kan een ontnemingszaak aanhangig maken indien hij van oordeel is dat er geld is verdiend met strafbare feiten. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de winst door verkoop van verdovende middelen of winst uit gedwongen prostitutie. Die winst wil de officier dan afpakken omdat de staat heeft besloten dat misdaad niet mag lonen.

De (hoogte van) de ontnemingsvordering wordt bepaald aan de hand van een ontnemingsrapportage die soms door politieagenten zelf wordt opgesteld, maar vaak ook door de afdeling ‘Afpakken’ van het Functioneel Parket (voorheen Bureau Ontneming Openbaar Ministerie, BOOM). Het CJIB is verantwoordelijk voor het incasseren van de vordering als deze eenmaal is vastgesteld.

Een ontnemingsvordering wordt ingediend bij dezelfde rechtbank als waar u voor de strafbare feiten zelf wordt/werd vervolgd. In de ontnemingsprocedure kunt u weer getuigen en/of deskundigen oproepen. Ook zijn hoger beroep en cassatie mogelijk.

De ontnemingsvordering kan alleen maar worden opgelegd indien u bent veroordeeld, maar niet alleen maar voor de feiten waarvoor u bent veroordeeld. De vordering kan ook worden gebaseerd op andere feiten, zolang maar aannemelijk is dat u ook met andere strafbare feiten geld heeft verdiend en zolang er ook maar een veroordeling is voor een feit dat zwaar genoeg is. Een ontnemingsvordering kan daarentegen niet worden gebaseerd op feiten waarvan u bent vrijgesproken.

Er zijn verschillende, vaak ingewikkelde, methoden om de hoogte van de ontnemingsvordering vast te stellen en de wetgeving en jurisprudentie zijn niet bepaald in het voordeel van de verdachte of veroordeelde. Dit maakt de verdediging in ontnemingszaken een zeer lastig en ook specialistisch werk. Ook hiervoor is het raadzaam een advocaat in te schakelen met ruime ervaring op dit gebied. Binnen ons kantoor zijn dat Pelle Tuinenburg en Pim Scholte.

Schadevergoeding aan het slachtoffer

Het slachtoffer van een strafbaar feit kan van de dader schadevergoeding eisen. Dit kan hij doen door zich als benadeelde partij te voegen in het strafproces. De rechter bepaalt of de eis van het slachtoffer wordt toegewezen. De rechter kan ook een verplichting tot schadevergoeding opleggen, zonder dat het slachtoffer daarom heeft gevraagd. Betaalt u niet, dan kan er beslag worden gelegd op uw bezittingen. In het uiterste geval wordt u in hechtenis genomen; uw verplichting de schadevergoeding aan het slachtoffer te betalen blijft wel bestaan. Bij ons op kantoor staat alleen Marije Jeltes slachtoffers in strafzaken bij. Alle overige advocaten hebben veel ervaring in de verdediging tegen vorderingen van benadeelde partijen.

TBS

De terbeschikkingstelling (TBS) is een maatregel die kan worden opgelegd aan een verdachte die geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het begaan van een strafbaar feit. Dit betekent dat het delict die verdachte niet of niet volledig kan worden aangerekend omdat sprake is van een geestelijke stoornis of ziekte die van invloed was op het begaan van het delict. Het moet gaan om een ernstig delict, dat wil zeggen een delict waarop 4 jaar gevangenisstraf is gesteld, en de veiligheid van anderen of van goederen moet de maatregel vereisen. Dit laatste betekent zoveel als dat er sprake moet zijn van een reële kans op herhaling van een (soortgelijk) delict als gevolg van de stoornis. 

De rechter wint alvorens de TBS-maatregel op te leggen advies in van tenminste twee gedragsdeskundigen. Dit onderzoek vindt vaak plaats in het Pieter Baan Centrum in Utrecht. Angst voor de doorgaans lange en onzekere duur van de TBS-maatregel heeft er toe geleid dat verdachten in toenemende mate zijn gaan weigeren om mee te werken aan dergelijk onderzoek. Een rechter kan desalniettemin dergelijk onderzoek gelasten en in een uiterst geval zelfs de TBS-maatregel opleggen ook zonder de medewerking van een verdachte aan een dergelijk onderzoek. Dit komt echter slechts zeer zelden voor.

De duur van de TBS-maatregel is in beginsel 2 jaar, maar de rechter kan de maatregel telkens met 1 of 2 jaar verlengen, na een daaraan voorafgaande vordering door de officier van justitie. Deze is gebaseerd op een zogenaamd verlengingsadvies dat wordt uitgebracht door de kliniek waar de veroordeelde verblijft. Het belangrijkste onderdeel van een dergelijk advies betreft de beoordeling van de kans op herhaling van het plegen van een misdrijf. Wanneer die kans nog onvoldoende verminderd is zal de maatregel doorgaans worden verlengd. De beoordeling van de noodzaak va de verlenging van de TBS-maatregel vindt plaats door de rechtbank die de maatregel heeft opgelegd. Tegen de beslissing van de rechtbank kan de TBS-gestelde hoger beroep instellen bij de penitentiaire kamer van het gerechtshof in Arnhem. 

De TBS-maatregel is gericht op de terugkeer van de veroordeelde in de samenleving. Deze terugkeer dient gefaseerd plaats te vinden aan de hand van een verloftraject, eerst begeleid dan onbegeleid met daarna mogelijk een periode waarin de TBS-gestelde zelfstandig, maar onder toezicht, in een kliniekwoning leeft.

De rechter dient, alvorens een TBS-maatregel daadwerkelijk tot een einde komt, allereerst te bepalen dat de maatregel voorwaardelijk wordt beëindigd. Dit wil zeggen dat de maatregel beëindigd wordt onder de door de rechter vast te stellen voorwaarden. Vaak gaat het dan om toezicht door de reclassering, de verplichting om ambulant nog contact met een psychische zorgverlener te onderhouden of het verplicht gebruik van medicijnen. 

JSTW advocaten bezit ruime ervaring in de begeleiding van TBS-gestelden in alle fasen van de behandeling. Niet alleen bij de verlengingsprocedures, maar ook bij de dagelijkse behandeling en de spanningen en moeilijkheden die daarin onvermijdelijk naar boven komen.

Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

De rechter kan tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis beslissen als u een strafbaar feit hebt gepleegd terwijl u volledig ontoerekeningsvatbaar was.

Onttrekking aan het verkeer

Gevaarlijke voorwerpen die te maken hebben met een overtreding of een misdrijf of daarbij zijn aangetroffen kunnen u worden afgenomen. Het gaat meestal om voorwerpen die zijn gebruikt bij het plegen van het strafbare feit, maar dat hoeft niet. Ook als de rechter u niet heeft veroordeeld, kan hij voorwerpen onttrekken aan het verkeer, dus van u afpakken.

Plaatsing in een Instelling Stelselmatige Daders (ISD)

De maatregel ISD is een maatregel om meerderjarige stelselmatige daders te plaatsen in een daartoe aangewezen inrichting. De wet is op 1 oktober 2004 in werking getreden. Met deze wet heeft de wetgever beoogd stelselmatige daders, die door het plegen van reeksen delicten veel criminaliteit en onveiligheid veroorzaken, voor een periode van maximaal twee jaar in een inrichting te plaatsen die specifiek voor hen bestemd is. Tijdens die periode wordt geprobeerd uw gedrag te beïnvloeden, zodat het risico dat u opnieuw strafbare feiten pleegt wordt verkleind.

PIJ

De PIJ-maatregel wordt ook wel TBS voor jeugdigen genoemd. De PIJ-maatregel is in beginsel beperkt tot een periode van maximaal 7 jaar maar kan tegenwoordig na afloop daarvan worden omgezet in een TBS-maatregel. Het is van groot belang dat u zich laat bijstaan door een gespecialiseerd advocaat. Marije Jeltes is een van de meest ervaren en vooraanstaande advocaten in Nederland op het gebied van jeugd(straf)recht.

Rechterlijk pardon

Artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalt:

“Indien de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, kan hij in het vonnis bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.”

Dit betekent dus dat u wel wordt veroordeeld, maar dat u geen straf opgelegd zult krijgen.

Administratieve beschikking (boete, bekeuring)

Lichtere verkeersovertredingen vallen niet onder het strafrecht, maar worden langs administratiefrechtelijke weg afgedaan. Dat houdt in dat de overtreder een beschikking krijgt thuis gestuurd door het CJIB. Op de beschikking staat een korte beschrijving van de overtreding. U wordt dan geacht via de bijgevoegde acceptgiro een bepaald bedrag betalen. Deze lichtere verkeersovertredingen worden ook wel Mulder-gedragingen genoemd. Ze zijn te herkennen aan de M in de rechterbovenhoek van de CJIB-brief. Is een boete onterecht? Neem dan contact met ons op.

Muldergedragingen worden niet gedocumenteerd; u krijgt dus geen strafblad. Andere, zwaardere verkeersovertredingen vallen onder het strafrecht, hiervoor krijgt de overtreder een OM transactie aangeboden dan wel een strafbeschikking opgelegd. In ernstige gevallen of bij recidive (het vaker veroordeeld of bekeurd zijn voor dit soort feiten) kunt u een dagvaarding ontvangen.

Strafbeschikking

Het openbaar ministerie mag voor een aantal veel voorkomende strafbare feiten zelf straffen opleggen. Dit wordt een strafbeschikking genoemd. De officier van justitie kan met een strafbeschikking een straf, een maatregel of een aanwijzing opleggen. Dit kan alleen bij misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat en bij overtredingen. Het OM kan geen gevangenisstraf opleggen, dat blijft een taak van de rechter. Als een u niet eens is met de voorgestelde strafbeschikking, kunt u bezwaar maken door verzet in te stellen bij het OM. Vaak blijkt het voorstel van het openbaar ministerie onredelijk of is er op de stellingen van het openbaar ministerie veel af te dingen. Wij adviseren u in elk geval contact met ons op te nemen voordat u hierover een beslissing neemt.

Transactie

Dit is hetzelfde als een schikking. Door het betalen van een geldsom, voorgesteld door de officier van justitie, kan de verdachte bij lichte misdrijven voorkomen dat hij voor de rechter moet komen.

Ondertoezichtstelling/uithuisplaatsing

Wanneer de ontwikkeling van een kind gevaar loopt kan de kinderrechter, doorgaans op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, bepalen dat een kind onder toezicht wordt gesteld. In sommige gevallen is het voor de ontwikkeling van een kind beter dat het niet langer in de thuissituatie verblijft en kan een kinderrechter beslissen dat een kind uit huis wordt geplaatst. Voor dergelijke procedures bij de kinderrechter is deskundige bijstand voor u en/of voor uw kind van groot belang. Marije Jeltes is een van de meest ervaren en vooraanstaande advocaten in Nederland op het gebied van jeugd(straf)recht. Ook Niels van Wersch houdt zich al jaren bezig met het jeugd(straf)recht in de breedste zin van het woord.